Windenergie op land v Zonne-energie

Tegenstanders van windenergie op land zijn warme pleitbezorgers voor zonne-akkers. Zoals o.m. blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:616 21 februari 2018 ) over Windpark De Drentse Monden en Oostermoer.

De pleitbezorgers betoogden dat windenergie een achterhaalde vorm van duurzame energie is met veel nadelen voor de omgeving. De ministers hadden voor een andere vorm van duurzame energie moeten kiezen, nl. windenergie op zee en voor zonneparken.

Zij voerden aan dat grootschalige toepassing van zonne-energie een geschiktere manier is om invulling te geven aan de doelstellingen uit het Energieakkoord dan windenergie op land omdat, 1.) zonne-energie veel minder nadelen heeft voor de omgeving, 2.) hiervoor meer draagvlak bestaat en 3.) deze vorm van energieopwekking beter bijdraagt aan de sociaaleconomische ontwikkeling van de regio.

De ministers op hun beurt stelden zich op het standpunt dat alle vormen van duurzame energie nodig zijn om de doelstellingen uit het Energieakkoord te halen. Andere vormen van duurzame energie kunnen daarom niet in de plaats komen van windenergie op land, maar moeten naast elkaar worden ingezet.

De ministers stelden in deze procedure met succes dat voor de energie-opwekking die met het windenergieproject De Drentse Monden en Oostermoer kan worden opgewekt een dermate grote oppervlakte nodig is dat dit niet haalbaar zou zijn met zonnepanelen.

Volgens onderzoek zou, om in 2050 genoeg zonne-energie op te kunnen te wekken, 10 procent van de Nederlandse landbouwgrond omgezet moeten worden in zonne-akkers. Daarbij wordt een goede planologische afstemming noodzakelijk geacht, evenals onderzoek naar dubbelgebruik van gronden en goede afspraken met boeren en gemeenten.

In welk onderzoek we deze cijfers kunnen teruglezen maakt het persbericht op www.thesolarfuture.nl niet bekend.

De afgelopen jaren werden nieuwe zonneweides vooral aangelegd op voormalige vuilstortplaatsen, braakliggende industrie- en woningbouwterreinen, dijken en restgronden. Ook op daken van woningen, parkeergarages en bedrijven groeit het aantal zonnepanelen.

Maar de trend is nu om agrariërs te benaderen om zonnepanelen op percelen, met een agrarische bestemming, te kunnen installeren.

Dat triggert de nieuwsgierigheid naar hoe die trend zich in de omgevingsrechtelijke context verhoudt. Er zijn weliswaar nog niet veel uitspraken gegeven door de bestuursrechter over zonne-akkers/zonneparken/zonneweides maar ik heb wel al een aantal interessante gevallen aangetroffen.

Afwijken van bestemmingsplan

Zo had het college van B&W van Coevorden besloten een omgevingsvergunning voor de duur van 10 jaar te verlenen aan Zonneakker De Watering C.V., voor het realiseren van zonne-akkers op een aantal percelen. Deze sneuvelde bij de rechtbank maar het college stelde hoger beroep in bij de Afdeling Bestuursrechtspraak die onlangs, 4 april 2018, haar beslissing gaf (ECLI:NL:RVS:2018:1112).

Met succes. De hoogste bestuursrechter volgt het college in haar betoog dat bij het verlenen van een vergunning op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor niet hoeft te worden beoordeeld of de vergunde activiteit na ommekomst van de bij de vergunning gegeven termijn zal worden beëindigd. De rechtbank had uitsluitend moeten beoordelen of de zonnepanelen na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden verwijderd. Het college stelt dat de zonnepanelen eenvoudig kunnen worden verwijderd, omdat ze op een constructie van ijzeren palen staan die ook makkelijk te verwijderen is. Van kapitaalvernietiging is geen sprake, omdat de panelen eenvoudig elders kunnen worden herplaatst, aldus het college. Omdat de zonnepanelen na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden verwijderd, heeft het college een vergunning kunnen verlenen.

Artikel 4 van bijlage II van het Bor luidt:
“Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
  1. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.”

De stelling van het college dat de zonnepanelen en de stalen constructie waarop de panelen rusten eenvoudig verplaatsbaar zijn en het daarmee feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de zonne-akkers zonder onomkeerbare gevolgen na 10 jaar kunnen worden verwijderd is, door de bezwaarmakende ondernemer, niet weersproken.

Dus in de omstandigheden van dit geval kan voor de aanleg van een zonnepark in beginsel een tijdelijke omgevingsvergunning voor maximaal 10 jaar worden verleend.

Het zonneparkproject “ Zonnepark Midden-Groningen” van Powerfield Free zone N.V. kende een minder fortuinlijke gang bij de rechtbank.

Bij besluit van 27 september 2016 heeft het college van B&W aan Powerfield Free Zone N.V. (vergunninghouder) voor een periode van maximaal 30 jaar een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het realiseren van een zonnepark op een aantal percelen. De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde het besluit (ECLI:NL:RBNNE:2017:1061). Volgens de rechtbank was de gemeente niet bevoegd om een vvgb, verklaring van geen bedenkingen, achterwege te laten. De rechtbank meent ten eerste dat er een fout is gemaakt bij de bekendmaking van de door de gemeenteraad vastgesteld besluit inzake de vvgb. In een dergelijk besluit kan de gemeenteraad nl. vaststellen in welke gevallen zij een vvgb vereist. Dit besluit zou niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt en daardoor niet in werking zijn getreden. Ten tweede kunnen de stukken die als ruimtelijk kader worden voorgesteld niet dienen als onderbouwing van het project nu niet is voldaan aan het vereiste dat een ruimtelijk kader voor onderhavig projectgebied is vastgesteld door de gemeenteraad.

Dus, nu, volgens de rechtbank, niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het (mogelijk nog niet in werking getreden) besluit van 26 april 2011 (inzake de vvgb), is voor het zonneparkproject een vvgb ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor wél vereist en was het college niet bevoegd de omgevingsvergunning te verlenen.

De vergunningverlener zal opnieuw op de aanvraag dienen te beslissen. Een zorgvuldige behandeling van de vergunningaanvraag blijkt de zekerste route naar de zon.

 

Contact opnemen