In 2015 hebben de waterleidingbedrijven enige tijd de inname van drinkwater uit de Maas gestaakt omdat daarin een stof genaamd pyrazool was aangetroffen. Die stof bleek afkomstig te zijn van lozing van afvalwater van de Integrale Afvalwater Zuiveringsinstallatie van de gezamenlijke bedrijven op het Chemelot-terrein, IAZI. Deze lozing is toen voor het waterschap aanleiding geweest om een last onder dwangsom op te leggen. Later heefthet waterschap na een ingediende aanvraag op 17 mei 2016 aan de chemische bedrijven op grond van de Waterwet een vergunning verleend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. De aanvraag betrof o.m. het lozen van afvalwater op de Ur. De Ur mondt uit in de Maas.

Beroep is ingesteld door de drinkwaterbedrijven omdat zij de vergunning te soepel vinden in verband met de veiligheid van het drinkwater, terwijl ook de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de lozing beroep hebben ingesteld omdat zij de vergunning juist onnodig streng vinden.

Zo kunnen de chemische bedrijven zich niet verenigen met de expliciete opname in de vergunning van het belang van de ‘veiligstelling van een duurzame drinkwatervoorziening’. De opname daarvan in de vergunning zou onvoldoende zijn onderbouwd door het waterschap. Daarnaast zou het te weinig concreet belang zijn naast het reeds genoemde belang van het voorkomen van nadelige gevolgen voor de mens.

Ingevolge de verleende vergunning mogen immers andere dan de in de vergunning genoemde stoffen, die zijn vermeld in de vergunningaanvraag, in het afvalwater, ter plaatse van het ‘lozingspunt effluent IAZI’, uitsluitend voorkomen in concentraties die onschadelijk zijn voor de biologische zelfreiniging van oppervlaktewateren, dan wel mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens, flora en fauna of voor de veiligstelling van een duurzame drinkwatervoorziening.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het waterschap zich terecht op het standpunt gesteld dat het veiligstellen van een duurzame drinkwatervoorziening is begrepen onder de functie ‘de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen’ zoals vermeld in artikel 2.1 van de Waterwet. De Maas, waarin het effluent van de IAZI terechtkomt, wordt immers door verschillende waterleidingbedrijven gebruikt als een belangrijke bron voor drinkwaterproductie. Deze openbare drinkwatervoorziening is van groot maatschappelijk belang. Daarom is ook in de Drinkwaterwet een specifieke zorgplicht, gericht aan alle bestuursorganen opgenomen.

De omstandigheid dat de betrokken drinkwaterbedrijven eveneens een eigen zorgplicht hebben om een duurzame drinkwatervoorziening veilig te stellen, doet daar niet aan af.

Ik gok dat de realisatie, dat de specifieke zorgplicht voor de drinkwatervoorziening gericht is aan alle bestuursorganen, de veranderde houding teweeg heeft gebracht bij het waterschap ten opzichte van de eerdere uitspraak ( ECLI:NL:RBLIM:2015:9616 ). Daarin wees de rechter het waterschap er nog op dat het te weinig aandacht had besteed aan de milieubelangen en de financiële belangen van de drinkwaterbedrijven.

 

Norm voor Pyrazool

Nu zijn het de chemische bedrijven die aandacht vragen voor hun bedrijfsvoering en daar in de uitspraak van rechtbank Limburg van 18 oktober 2017 ECLI:NL:RBLIM:2017:10047 op dat punt in het gelijk worden gesteld. De chemische bedrijven hebben aangevoerd dat zij zich niet kunnen verenigen met de opgenomen lozingsnorm voor pyrazool. Zij achten deze norm onnodig streng en disproportioneel, gezien de aard van de betrokken, bacteriële, zuiveringsinstallatie, de eigenschappen van pyrazool en de onevenredige impact van deze normering op hun bedrijfsvoering.

De rechtbank is met het waterschap eens dat zo lang er geen definitieve norm voor pyrazool geldt, ernaar gestreefd moet worden om het gehalte aan pyrazool zo laag mogelijk te houden.

Echter, naar het oordeel van de rechtbank heeft het waterschap bij zijn afweging onvoldoende betrokken dat bij het vaststellen van de normering door het waterschap er eenzijdig is gefocust op het terugdringen van pyrazool en dat dit ten koste van het bedrijfsresultaat van de IAZI is gegaan. Ik begrijp daaruit de mate waarin op andere stoffen kan worden gezuiverd. Dat er een ‘waterbedeffect’ kan ontstaan, is door het waterschap niet ontkend.

Het waterschap is verder ook niet ingegaan op het betoog van de chemische bedrijven dat er bij verstoringen in het aanbod van pyrazool een onevenredig beslag op de bestaande buffercapaciteit moet worden gelegd, hetgeen ten koste van de bluswatervoorziening zou kunnen gaan.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het waterschap niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde, verder aangescherpte normen, door de chemische bedrijven kunnen worden gehaald zonder dat dit ten koste gaat van het algemene bedrijfsresultaat van de IAZI.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en een minder strenge norm voor het gehalte aan pyrazool in het afvalwater op te leggen.

Verdergaande onderzoeksverplichtingen

De drinkwaterbedrijven hadden nog aangevoerd dat het noodzakelijk is dat opgelegde onderzoeksverplichtingen zich richten op alle grondstoffen, producten, bijproducten en hulpstoffen die in de IAZI worden gebruikt.

Het Waterschap zet daar tegenover dat er voorschriften zijn opgenomen voor stoffen die op de lijst van ZZS (Zeer Zorgwekkende Stoffen) zijn geplaatst. Een van de afwegingen om stoffen op de lijst van ZZS te plaatsen is de humane toxiciteit, bijvoorbeeld op basis van carcinogeniteit of genotoxiciteit. Hierdoor wordt volgens het waterschap geborgd dat lozing van deze stoffen op den duur geminimaliseerd wordt.

Verder is volgens het waterschap niet gebleken dat de drinkwatervoorziening door onbekende humaantoxische stoffen, afkomstig van de IAZI, dermate wordt belemmerd dat dit een brede humaantoxische screening rechtvaardigt.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de onderzoeksverplichting toxiciteit en de monitoringsverplichting verder uitgebreid zou moeten worden.

De drinkwaterbedrijven kennende, uit mijn tijd als bedrijfsjurist bij een waterbedrijf, zullen zij de risico’s proberen te beperken en bewaken dat de drinkwaterfunctie van het oppervlaktewater niet wordt aangetast.

Contact opnemen