Via een op twitter gedeeld persbericht van rechtspraak.nl is mij bekend geworden dat de volledige digitale rechtspraak in civiel- en bestuursrecht per 1 januari 2016 niet wordt gehaald. Op welke datum dit wel zal worden gehaald werd niet bekend gemaakt.

Niettemin genereert de voortschrijdende digitalisering van bestuursrechtelijke procedures al af en toe wat uitspraken die illustreren hoe het gebruik van digitale technologie betekenis geeft aan het bestuurs(proces)recht. Zoals in Rechtbank Amsterdam, 03-04-2015 ECLI:NL:RBAMS:2015:2216 waar het ging om het elektronisch verkeer tussen burger en bestuursorgaan waarbij een e-mailbericht van een burger niet tijdig was ontvangen. De aanvraag is buiten behandeling gesteld omdat het e-mailbericht met de gevraagde gegevens niet tijdig is ontvangen. E-mailberichten met een inhoud groter dan 10 Mb worden door het systeem van gegevensverwerking van het bestuursorgaan geweigerd. Uit de MvT bij artikel 2:17 van de Awb blijkt, dat het risico van het gebruik van de elektronische weg in beginsel bij de verzender ligt. Niet aannemelijk is geworden dat eisers bericht met bijlagen verweerders systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de betreffende stukken niet zijn ontvangen bij e-mail.

Uitdagender dan het voldoen aan uploadspecificaties kan het zijn te bewijzen dat een verzonden fax niet is ontvangen. Gelukkig voor deze gemachtigde kon de ontvangst van de fax van de rechtbank redelijkerwijs worden betwijfeld. Uit het rechtbankdossier was op te maken dat de rechtbank voormelde fax op 8 januari 2015 naar het faxnummer van het kantoor van de gemachtigde van de vreemdeling heeft verzonden met als resultaat “Voltooid”. Dit rechtvaardigt, in aanmerking genomen dat per fax verzonden stukken in de regel worden afgeleverd bij het faxnummer waaraan deze zijn gericht, het vermoeden dat deze fax door de vreemdeling is ontvangen. Ter weerlegging van dit vermoeden heeft de vreemdeling in hoger beroep, ter nadere toelichting op zijn in beroep aangevoerde stelling dat hij voormelde fax van 8 januari 2015 niet heeft ontvangen, een verklaring overgelegd van het bedrijf dat het faxverkeer van het kantoor van zijn gemachtigde verzorgt. Hierin wordt verklaard dat die fax als gevolg van een technische storing bij de mailserver niet bij het faxnummer van het kantoor van de gemachtigde is binnengekomen. Gelet op deze verklaring kon in dit geval redelijkerwijs worden betwijfeld dat de fax van 8 januari 2015 door de vreemdeling is ontvangen. Het vorenstaande rechtvaardigt in dit geval de conclusie dat de vreemdeling, als gevolg van niet aan hem toe te rekenen omstandigheden, niet de gelegenheid heeft gehad alsnog beroepsgronden aan te voeren, aldus ABRS in haar uitspraak van 13-05-2015, 201501080/1/V2 ECLI:NL:RVS:2015:1598.

In de vermelde uitspraken gaat het om het elektronisch verkeer tussen bestuursorganen en burgers.

In een recente uitspraak van het EHRM gaat het om meer dan de technische randvoorwaarden van de digitalisering van het bestuurs(proces)recht. Daar gaat het m.i. om de betekenis van het bestuursrecht in de digitale omgeving. In EHRM 16 juni 2015 CASE OF DELFI AS v. ESTONIA (64569/09) ging het namelijk om de vraag in hoeverre het verantwoordelijk houden van een nieuwsportaal (Delfi) voor beledigende commentaren die door derden zijn geplaatst op het nieuwsportaal een inbreuk vormt op de vrijheid van meningsuiting van Delfi. Volgens artikel 10 EVRM heeft een ieder immers recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag.

Het EHRM oordeelde dat het recht op vrijheid van meningsuiting van Delfi terecht werd beperkt.

“In particular, the Chamber considered that the news article published by the applicant company that had given rise to the defamatory comments had concerned a matter of public interest and the applicant company could have foreseen the negative reactions and exercised a degree of caution in order to avoid being held liable for damaging the reputation of others. However, the prior automatic filtering and notice-and-take-down system used by the applicant company had not ensured sufficient protection for the rights of third parties. Moreover, publishing news articles and making readers’ comments on them public had been part of the applicant company’s professional activities and its advertising revenue depended on the number of readers and comments. The applicant company had been able to exercise a substantial degree of control over readers’ comments and it had been in a position to predict the nature of the comments a particular article was liable to prompt and to take technical or manual measures to prevent defamatory statements from being made public. Furthermore, there had been no realistic opportunity of bringing a civil claim against the actual authors of the comments as their identity could not be easily established. In any event, the Chamber was not convinced that measures allowing an injured party to bring a claim only against the authors of defamatory comments would have guaranteed effective protection of the injured parties’ right to respect for their private life. It had been the applicant company’s choice to allow comments by non-registered users, and by doing so it had to be considered to have assumed a certain responsibility for such comments. For all the above reasons, and considering the moderate amount of damages the applicant company had been ordered to pay, the restriction on its freedom of expression was considered to have been justified and proportionate. There had accordingly been no violation of Article 10 of the Convention. “

Een belangrijke overweging is dat … the activities of the defendant in publishing the comments are not merely of a technical, automatic and passive nature. The objective of the defendant is not merely the provision of an intermediary service. The defendant has integrated the comment environment into its news portal, inviting visitors to the website to complement the news with their own judgments … and opinions (comments).

De woorden “ …technical, automatic and passive nature”, wijzen op een gebrek aan controle over de gegevens die worden weergegeven op een portal. Daarentegen Delfi … had been able to exercise a substantial degree of control over readers’ comments and it had been in a position to predict the nature of the comments a particular article was liable to prompt and to take technical or manual measures to prevent defamatory statements from being made public.

Het EHRM is van oordeel dat een nieuwsportal als van Delfi meer had kunnen en behoren te doen om de beledigende teksten te verwijderen.

To enable technically the publication of extremely aggressive forms of defamation, all this due to crass commercial interest, and then to shrug one’s shoulders, maintaining that an Internet provider is not responsible for these attacks on the personality rights of others, is totally unacceptable. “ (concurring opinion rechter Zupančič).

Contact opnemen